Wat is genealogie?



Voorouders uitzoeken in mannelijke lijn?
Men spreekt over een Stamreeks.
Mannelijke en vrouwelijke lijn zamen ?
Een Kartierstaat.

Bij genealogie worden de nakomelingen
in mannelijke lijn onderzocht.
Als men een overzicht maakt van
mannelijke en vrouwelijke nakomelingen,
dan spreekt men van een Parenteel.

De eerste Versteeg die ik kon traceren
woonde in Brakel {in het jaar 1672}

Op deze kaart ontdek ik de Houtsteeg,

Leisveldsesteeg, Breedsteeg, Bevingsteeg

Een steeg kan ook betekenen,
smal straatje, steiger, koppig,
standvastig, bruggetje.

Een bruggetje dat vind ik wel wat]

Bruggenbouwers.
Moeten we eigenlijk allemaal zijn.

In mijn kinderjaren woonde ik op
een stukje van de dijk, die ooit om
het Haarlemmermeer gelegd is.










Mijn opoe Kok, woonde 2 huizen bij ons vandaan.
Van haar meisjesnaam heette ze Maria Scheurwater

Haar tweede man heette Jan Kok.
Ik wist niet, dat hij een soort opa was.
Iedereen noemde hem ouwe Jan. Wij deden dat ook.
Dochter Sien Kok en zoon Jan Kok woonden bij haar.
We noemden ze bij hun voornaam. Dus Sien en Jan.
Sien had geen man. Wel een zoon. Joop.
Die woonde ook bij opoe.
Hij is van 22-10-1916. 8 jaar ouder dan ik.
Bij mijn opoe woonde ook mijn neef Henk Versteeg.
Hij is van 11-10-1919.
Dus 6 jaar ouder dan ik. Zijn moeder was jong overleden.
Daarom woonde hij bij zijn opoe. Joop noemde zijn moeder, Sien.
Tegen zijn opoe zij hij , moeder. Kun je er nog wijs uit?
De vader van Henk noemden wij, merkwaardig genoeg, wel ome Henk.
Dat was een broer van mijn vader Klaas Versteeg.

Hij woonde in een klein huisje op de Veldweg. De ramen waren dikwijls dichtgeplakt met oude kranten.
Soms hingen er gordijnen voor het raam. Dan was er weer eens een vrouw bij hem ingetrokken.
Lang duurde dat nooit. Meubels werden in en uit gedragen. Je kon het precies zien. Gordijnen of kranten.
Hij was een vriendelijke man. Drinken deed hij niet. Hij had niet veel nodig.
Waar ik over spreek waren natuurlijk wel de crisisjaren. Er was haast geen werk te vinden. Ja, dat is waar ook.
Hij was eens een hele zomer lang, machinist op een locomotiefje.
Dat reed op smalspoor. Een hele trits kiepwagentjes hing er achter.
Beladen met zand voor het dijklichaam van de nieuwe brug bij Aalsmeer.
Dat paste hem wel.
Hij was gewoon een halve eeuw te vroeg geboren. (30 september 1893).
Toen de crisisjaren begonnen was hij rond de 40.
Ik zie hem nog zitten. Hoed met brede rand op zijn hoofd.

Glad geschoren. Wit overhemd, stropdas, lichte broek,
glimmend gepoetste bruine lakschoenen aan zijn voeten.
Het gewone volk liep in werkkleren. Ome Henk niet.
Machinist! Dat was niet niks in die tijd. Op die plek.
Tegenwoordig zou men hem een alternatieveling noemen.

Eigenlijk was hij een dandy.

Hij bezat een transportfiets. Bagagedrager voorop. Zomers sneed hij wilde bloemen en dulen.
Een andere naam daarvoor is lisdodde of rietsigaar. Hij verkocht ze in de stad.
Opoe verhuurde roeibootjes. Ze had er een stuk of zes. Om bloemen te plukken
op de drijvende rietzudden, (eilandjes die met stokken op de plassen verankerd werden)
leende hij zo’n bootje van zijn moeder. Als hij niets te eten had bracht zijn zus Sien nog al eens

een pannetje met warm eten naar hem. Het was trouwens een sociaal buurtje.Men hielp elkaar.

De andere broer van mijn vader heette Janus Versteeg. Maar die zagen wij zelden.
             Die was zeeman . Zijn eerst schip was een schoener.
In het jaar 1902, op zijn 12e jaar ging hij naar zee. Dat deed hij tot 1957.

………………………………………

Mijn vader heette Klaas.
Dichtbij ons huis was een pottenbakkerij.
Mijn vader heeft daar vele jaren potten gemaakt op
zo’n trap-draaischuif. Hij trapte in bed nog in zijn slaap.

Tenminste, dat vertelde mijn moeder.

Zijn grootste passie was vissen. Zonder visvergunning.
{Daar kon hij niet aankomen. Dus moest hij wel stropen}
Met palingfuiken, zegens, rietdobbers, takkenbossen stroopte
hij de sloten van de ringvaart af. Meestal in de nacht.
Om niet betrapt te worden.

Soms ving hij een meerval. {die verkocht hij aan Artis.
Deze meerval  = 142 cm = 39 pond.

Wie de jongen is weet ik niet.






De paling rookte hij zelf in een rookkist achter ons huis.
Vissen deed hij meestal met zijn kameraad Pauw Verbeek.




De truck van de takkenbos is dat je hem ’s avonds, verzwaard met stenen, ergens onder water stopt.
’s Morgens vroeg langzaam boven haalt en hem daarna snel op de wal of in de boot gooit.
Meestal zitten er dan wel een paar palingen in. Waarom ze in zo’n bos kruipen weet ik niet.
Maar ze doen het.
Wij als kinderen deden er graag aan mee. Het is een eenvoudige manier om ze te vangen.
Met een oude rieten mand met takken erin gaat het ook heel goed.

Mijn vader bouwde zelf 2 houten roeiboten.
In een ervan had hij een bun gemaakt waar het buitenboordwater doorheen spoelde.
Daar bleven de palingen en de pasgevangen vis levend in.
Bij een minimaal klein eilandje had hij een viskaar in het water.
Daar werd de totaalvangst in bewaard.

Wij, mijn pleegbroer Klaas, mijn zus Marie en ik werden erop uitgestuurd om met
de gerookte paling te venten {Verkopen}. We moesten opletten of er geen diender rondliep.
Venten was verboden. We renden nogal eens om zo’n agent kwijt te raken.

M’n moeder had weinig huishoudgeld. We aten dus vaak vis. Dat was goedkoop.
M’n vader bakte ze vanwege de vislucht in de schuur op een kolenkacheltje.

Mijn ouders konden goed met het weinig geld dat binnenkwam omgaan.
Daardoor had hij het hout kunnen kopen
om de bootjes te bouwen en materiaal om fuiken te breien. Dat deed hij namelijk ook zelf.

Tijdens de bietencampagne voeren, mijn vader, mijn broer Janus en onze kostganger,
{de vader van mijn pleegbroer },  suikerbieten uit de Haarlemmermeerpolder naar Halfweg. Naar de bietenfabriek.
Bij Bok en Meijer een scheepswerf  in Oude Wetering kon hij voor 300 gulden, een westlander kopen.
Met 3 gulden in de week af te betalen. Verder het jaar door werd er eigen handel mee gedaan.
Maar dat deden hoofdzakelijk mijn broer en de kostganger.


Janus op het voordek met de vaarboom.

Als de mast in de weg zat werd hij
gewoon aan de wal gegooid

Vroeger waren er bij Aalsmeer
2 sluisjes die samen
de 5 meter overbrugden om
de polder in of uit te schutten.




Een wekelijkse bezoeker was
mijn grootvader Dirk Biesheuvel.
Wij noemden hem opa Kudelstaart.

Mijn grootmoeder van moederskant heette
Aagtje Eveleens {geboren 28 april 1870 }
Haar man, Dirk Biesheuvel {geboren 17 april 1868 }

Over hem het volgende verhaal.
Hij verkocht galanterieën.
Hij deed in potten en pannen.
Zo werd dat genoemd.
Om zijn handel te vervoeren had hij een hondenkar
die getrokken werd door 2 loeresen van honden.
Vanuit Kudelstaart waar hij woonde, ging hij door
het dorp Aalsmeer en de polders eromheen. Het was een armoedige tijd.
Hij verkocht veel op de lat. Om zijn centen binnen te krijgen moest hij zich vaak de blaren op zijn tong praten.
Om de dorst van de honden en zichzelf te lessen laste hij pauzes in bij cafés op zijn route.
Om de kosten daarvan te drukken sprong hij nogal eens op het biljard en zong een lied.
Favoriete songs waren: In deze cel omringd door hoge muren waarin geen straal der zon ooit valt op mij.
                                 Niemand weet hoe ik lijd in deez kerker - niemand weet wat de celstraf beduidt
Mijn grootvader was een levenskunstenaar.
Hij verdiende kost voor zijn vrouw en 10 kinderen onder andere met de volgende activiteiten.
Met een kruiwagen beladen met zeisen en sikkels ging hij de boeren langs.
Op zolder spande en droogde hij mollenvellen voor zijn bonthandel.
Hij verkocht sigaren en tabak in de keuken. Schoor de kaken en knipte de haren van zijn klanten in de schuur
en zoals al gezegd, hij zong op het biljart.
Van hem zei men in het dorp:  Dirk? Dirk, die heeft de rit in zijn ........”. Ik houdt het op de “Onrust”.

De onrust drijft mijn denken naar het oneindige verschiet
dat nog thans mij blijft wenken door de indruk die ze achter liet
waar land en hemel vloeien, waar de zee het land ontvlucht verdwijnen de boeien,
blijft alleen de lucht – O, kon ik nog eenmaal landen op die ongerepte stranden ;
waar de zon verbleek aan de nacht – waar de sterren slechts zijn – een kinderverdriet –
waar wind alleen wind is – anders niet. Maar denk ik aan vreemde kusten
verbrandt – verrek – verroest – verteer en het zweet dat van mij gutste –
dan gunde ik jou de eer – thuis is het leven goed – waarom zou je gaan zwerven –
de onrust in mijn bloed – zou het thuis maar bederven –
al is de eigen haard het meeste van alles waard –
ik moest gaan varen om de onrust te bedaren.



Een barones

3 stoomgemalen van elk 400 pk pompten tussen 1849 en 1851
de “Grote Waterwolf” zoals het Haarlemmermeer genoemd werd,
{nadat er eerst een dijk van bijna 60 km lang omheen gelegd was}, leeg.
In 1852 was hij droog.

Op 22 februari 1864 is mijn grootmoeder langs vaderskant er geboren.
Zij heette Maria Scheurwater. Zij vertelde mij dat ze vaak straatarm was.
Ze heeft eens, met drie kleine kinderen,
een winter in een verlaten steenoven gewoond.
Als bedelares moest zij in leven zien te blijven.
Dit vertel ik voor later in deze geschiedenis.

Op een dag lag ik met mijn schip in Breda. Ik had zo’n Betamax CCD 500 P kamera.
Een nog al groot ding dat je op je schouder moest zetten om te filmen. Ik ging er Breda mee in.
Er is een park met monumenten en fonteinen. In het centrum staat aan een groot plein een prachtige kerk.
Terwijl ik deze loop te filmen begint het te regenen. Aan het plein zijn nog al wat etablissementen met terras.
Als ik het plein oversteek om in een ervan te gaan schuilen hoor ik het getingeltangel van een piano.

Ik weet meteen waar ik naar binnen moet. Achter in die zaak zit iemand piano te spelen.
Ik zet mijn kamera op de bar en richt hem op de pianist. Niet dat ik mij er veel bij voorstel maar een filmer
heeft altijd gebrek aan geluiden die de lokale sfeer bepalen. Het is middag. Een uur of 2.
Koffie drink je aan boord dus ik bestel een pilsje en denk: “ik zit geramd. Lekker droog. Pilsie. Muziek”.
Maar de pianist stop en komt ook aan de bar zitten.

“Doe me een plezier”: zei ik, “speel het, dan zing ik met je mee”.
Toen het zover was en hij begon, speelde hij eerst een intro. Maar toen hij begon te zingen
bleek dat in het Hoogduits te zijn. Ik riep nog dat het geen Oostfries was. Maar hij ging gewoon door.
Afijn, ik zing de Oostfriese versie, dat is de enige die ik ken. Dat lijkt meer op Gronings.

{Het Duits Ostfriesland grenst aan de provincie Groningen}.
Het zong natuurlijk voor geen meter. “Sie machen es falsch“ : riep hij telkens en zong gewoon verder.
Toen het lied uit was kwam hij naast me zitten.

“Ik snap het niet”: zei ik, “het Ostfriesenlied in het hoogduits. Hoe kom je daar nu op”.
Hij was in Emden geboren. “Maar dat ligt toch in Ostfriesland?”.
Ja, maar zijn grootouders kwamen ergens anders vandaan.
Zijn vader was een hooggeplaatste douaneambtenaar. Ze stamden nog van de Watergeuzen af.


Toen zei hij iets waardoor mijn pet afviel.
Hij stamde af van de Watergeuzen van de goeie kant.
Ik heb nooit geweten dat er Watergeuzen van
de goeie en Watergeuzen van de slechte kant waren.
Dus als iemand mij daar iets over kan vertellen. Graag!

Later in het gesprek voerde hij een barones in.
“Mijn grootmoeder was een barones”: zei hij.

Ik stond ogenblikkelijk op,
keek hem recht in de ogen en zei:
“Aangenaam, mijn grootmoeder was een bedelares”.

Ik was op dat moment trots op deze grootmoeder.
Ga er maar eens aanstaan.
Weduwe met drie kleine kinderen in de winter.
Zonder woning. Zie maar eens te overleven. Zonder geld.
Ze was mijn grootmoeder. Maria Scheurwater heette ze.





       

















Maria Gerarda van Wijngaarden

                    23 juni 2006

Vandaag is mijn vrouw voor de 79ste keer jarig.
Alsof het gisteren was. Zo weet ik nog het moment dat ik haar ontmoette. Alhoewel.
Ik kan beter zeggen toen ik haar ontdekte. Ze stond verscholen. In een portiek.
Achter anderen die schuilden voor de regen. Het exacte uur weet ik ook nog.
Niet op de minuut. Het was tussen 12 en 1 uur. Hartje nacht dus.
Die dag werd bekend dat Japan gecapituleerd had.
De atoombom die op Nagasaki gevallen was bracht hen zover. 17 augustus 1945.
Einde van de tweede wereldoorlog.

Overal waren bevrijdingsfeesten. Op straten en pleinen. Ze waren al een tijdje gaande.
Omdat de Duitsers en hun rotgenoten de strijd al eerder opgegeven hadden.

Ze waren verslagen. Er was feest op de Burcht in Zaandam.
Het ging de hele nacht door maar de neerplenzende regen stak een spaak in het wiel.
Ik was 21 en door het dolle heen. Ik wilde dansen.
Wat had ik met die regen te maken. Het plein was echter verlaten.

Iedereen schuilde. Onder een paraplu. In een portiek. Geen meisje wilde met mij dansen.
Toen ontdekte ik haar. Ze stond verscholen in een portiek aan de Zuiddijk.
Nu zit daar een Chinees. Toen was het een slagerij.
Op mijn dringende vragen werd alleen maar gelachen. Ik nam haar bij de hand.
Ze liet zich verleiden om met mij in de stromende regen te dansen op het door iedereen verlaten plein.

De muziek schetterde uit luidsprekers die daar door de firma Flipsen geplaatst waren.
Ze stonden boven. Achter de openstaande ramen van het gemeentehuis.
Pas jaren later ben ik tot het besef gekomen dat meisjes zich niet zomaar uit een portiek laten plukken.
Zonder een cent ben ik uit die oorlog teruggekomen. Om wat te verdienen huurde ik een bakfiets.















Fietste er mee naar Limmen. Kocht een partij gladiolen.
In de Westzijde stalde ik op het trottoir mijn emmers met bloemen uit.
Probeerde met mooie praatjes aan iedereen die voorbij kwam mijn handel te verkopen.
Ze had me toen al in de peiling. Zodoende.

………………………………………………

Als je ouder wordt krijg je steeds meer geschiedenis.  Ergens in die geschiedenis ben ik gaan varen.
Op een tjalk. Zo’n log super Nederlands zeilend vrachtschip. Als ik daar aan denk. Dan zie ik geen blauwe luchten.
Of witte zeilen. Strak in de wind. Dan zie ik de paardebloemen.
Ik moet er nu om lachen als ik er aan denk.
Jagen, nota bene. Jagen! Zo heet dat. Trekken aan zo’n schuit.



“De wind joeg het schip voort.” Dat lees je wel eens.
In mijn herinnering was het altijd in de wind.
Ik had net een schippersschool achter de rug.
Zo’n beroepsopleiding.
Ik had het idee dat ik was aangenomen om mijn kennis.
Maar ik was ingeschat op mijn spierkracht.
En zo herinner ik mij de ontelbare paardebloemen langs de kant van de weg.
Om maar eens wat op te noemen.

De schipper staat aan het roer. Een lang touw. Aan de ene kant vastgemaakt aan de mast.
De andere kant aan mij. En zo trok ik, vooroverhangend, stap voor stap het schip van
de Willemsluizen (Amsterdam) naar Middenmeer in de Wieringermeerpolder.
In 1942. Ik kan je vertellen. Het is een eind lopen. Met een schip achter je kont.

Voor ik verder ga  met deze * Vaderlandse Geschiedenis*  moet ik vertellen dat ik werd gebeld.
Door een vriend uit vroeger tijd. Henk Tingen. Uit Meppel. Hij vroeg: “Ben je alles vergeten?”.
Nee, dat ben ik niet. Maar het leven gaat door.
Je ontdekt een aantal vrouwen. Met een daarvan ga je trouwen.
Daarover zou ik romantisch dingen kunnen vertellen.

Bijvoorbeeld:
Het is stervensheet. Kolen laden in Roergebied. Kolen stuiven als de hel. De deur wordt dus potdicht gehouden.
Mijn vrouw zweet als een otter voor het kolenfornuis. In die tijd werd er nog met kolen gestookt.
Ik word zo zwart als een Nubiër. Als het schip geladen is en de ergste bagger weggespoten,
is er even tijd om bij te komen. Dan is er tijd voor romantiek.
Ze bestaat eruit dat ik pikzwart, naakt, met mijn voeten in een zinken teil staand,
door mijn vrouw, van top tot teen, gewassen wordt. Mijn oogleden en wimpers smeert ze in met margarine.
Het is de enige remedie om mijn ogen van de ondergang te redden.
Het water voor mijn bad wordt tijdens deze wasbeurt steeds zwarter.
Een ander teiltje dient als uitspoelbak voor de washand.
Dat water kiept ze een keer of drie weg was. Gelukkig kan de deur open blijven staan.
Over geluk gesproken. Puur geluk! Pure romantiek!

………………………………………………………………
Zaans Lente gevoel en Paardebloemen.

In duizelingwekkende schoonheid staan ze in bloei
Overal langs de vangrails – waar de berm ook maar enige breedte heeft
Staan ze – fel geel – een spiegeling van het zonnelicht –
Japanners – Amerikanen – snellen er langs – onderweg –
Om een glimp op te vangen – van de bloemenpracht – achter Hollands duinen
En ik – ik zie ze langs razen – Nikon’s – Leica’s – Pentaxen –
Routebeschrijvingen – in de aanslag
God zij dank – ze hebben mijn paardebloemenvelden nog niet ontdekt.



………………………………….
Als ik boekenbonnen krijg, gedraag ik mij als een vos in een kippenhok.
Zo kwam ik aan het boek: “Abbesijnse kronieken”. Een debuutroman.
Over een grote Oegandese familie tijdens het terreurbewind van Idi Amin.
Geschreven door Moses Isegawa. Het begint met de openingszin:
“Terwijl hij tussen de kaken van de kolossale krokodil verdween
flitste er 3 beelden door Serenity’s hoofd”……

Een pil van ruim 600 pagina’s. In drie dagen las ik het. Eigenlijk maar goed. Lezen geeft een soort verslaving.
Terwijl je ermee bezig bent verdwaal je in het verhaal. Maar de onrust laat zich niet stillen. Er is nog zoveel te doen. Observeren wat er gebeurt buiten het kleine wereldje van ons schip. De mensen. De dieren. De wolken. Het water.
De beweging. Het veranderende panorama dat zich voor mijn ogen ontrolt. Waar blijft de tijd. In de afgelegde kilometers? Met 80 kilometer houdt het op. In 12 dagen zijn we van Oudewater naar Vreeswijk en weer terug langs Oudewater,
naar Gouda gevaren. Daarna via Gouwe, Aarkanaal, Drecht, naar Leimuiden. Nog geen 7 km. Per dag.
Mijn grootvader deed er in zijn tijd met zijn hondenkar meer. Ook voor hem ging de tijd voorbij.

Tijd heeft van alles met afstanden te maken.
Kilometers of uren?
Gebrekkige eenheden om de emoties van het bestaan vaat te leggen. Hoe ver iets in de tijd verdwenen is?
Er zijn  momenten dat je ermee geconfronteerd wordt. Zoals een uur geleden bijvoorbeeld.
Er loopt een man voorbij die zijn hond uitlaat. Hij valt op oude schepen.
Hij heeft hier in de Drecht een zeiljacht liggen.
Er volgt een verhaal over IJsselmeer en zeereizen.

Een moedertje met een kleuter in een buggy stop. Kijkt of ze iets zeggen wil.
Ik kijk terug en vraag: “Ben jij een echte Leimuidense”.  Dat is ze.
Er ontstaat een gesprek.
Ik vertel dat ik hier, tijdens de oorlog, een poosje ondergedoken was bij een oom en tante.
Sliep waar zij ook sliepen. Op zolder. In het midden kon je rechtop staan.

Ze woonde ook in zo’n huisje, vertelde ze.
Of dat ooit of nu was, ontging me even.
Aardig is het intermezzo dat erop volgt.

Of ik met haar op de foto wilde. “Aan de wal?” “Ja, aan de wal.”

Terwijl de foto’s gemaakt werden, vertelde ze dat de fotografen Spanjaarden waren.
Ze waren haar vanuit Spanje gevolgd. Ze kon er niet onderuit.
Ik nam haar zoontje even in mijn armen.
Een grappig kereltje van misschien anderhalf jaar.
Michel heette het knulletje. Zij Miranda.
De vader Julio. De zanger.
Ze werd schoonheidskoningin.
Reisde de wereld rond.
Leerde hem kennen. Ze waren al zes jaar samen.

Haar grootvader was als koksmaatje op een baggermolen
{tijdens de aanleg van een nieuwe brug} in het dorp gekomen.
Werd een populaire dorpsfiguur en ging er nooit meer weg.


Leven op zee {1890 – 1987}  Adrianus Hendrikus Johannes Versteeg

Geb: Haarlemmermeer 27-3-1980
Overl: Amsterdam …………………. 1987
Beroep: zeeman van 1902 tot 1957 {55 beroepsjaren}
Zichzelf, tot het laatst, noemend  •Tramp *

Het gedicht schreef ik voor ome Janus
Zie het stoomschip * ss Rossum * waar hij stoker op was.


Op de aquarel is de  * Rossum * geladen met hout onder weg naar Zaandam.





Verwaaid door de wind

Vandaag wil ik dromen – van het spiegelend water
Verwaaid door de wind – dat mijn schip liet zeilen
Naar het land in de verte – als ik stond aan het roer
vervlogen verdwenen – het is alles voorbij

vandaag wil ik dromen – van jou mijn liefste
ons schip dat wij voeren – door weer en door wind
van ergens naar nergens – in het tijdloze land
geef mij – mijn liefste – als toen – je hand




Burgerveen.
Een gehucht, bestaande uit wat huizen en een café.

Op de rand van de Haarlemmermeerpolder.
Het schip vastgemaakt aan de steiger van Dirk Eveleens. Een onvervalste palingroker. Hij voorziet ons al jaren,
als we in de buurt zijn, van heerlijke op eigenhout gerookte paling. We hebben een aantal genen gemeen.
Mijn ene grootvader heette Dirk Biesheuvel. Hij trouwde met een meisje uit Aalsmeer. Een boomkwekersdochter.
Haar naam was Aagje Eveleens.
Alle Eveleensen uit Aalsmeer stammen af van een knaap die ongeveer 300 jaar geleden
zijn brood verdiende met vissen op het Haarlemmermeer.
De Westeinderplassen bestonden niet. Die ontstonden toen * de Grote Waterwolf *
zoals het meer op het laatst genoemd werd, steeds meer land opvrat.
Pas toen Amsterdam in gevaar kwam en dreigde weg te spoelen, gaf de stad Leiden haar verzet
tegen de droogmaking op. Leiden had visrechten op het Leidse- en Haarlemmermeer, die in feite één plas vormden.
Die rechten brachten flink geld op. Mijn bet-bet-bet-overgrootvader was de sigaar. Er is een dijk om dat meer gelegd.
Drie stoomgemalen die de namen krijgen: * De Lijnden * , De Qruqius, * De Kaag* , werd het water eruit gepompt.
Zo gaat dat nog steeds in Holland. Hup, weer een stuk land.



M’n vriend. De stromen van ons land,
Die heb ik wel bevaren – Het is water klei en zand – Een helling naar benee
Het komst allemaal terecht – In de lagelandse zee – En in de zoute baren
Nu lig ik aan de wal – Zeg-maar: “het vaste land”- Loop onwennig rond
Op waterkleiig zand – Geen verre horizon – Geen stromende rivier
Geen lading in het ruim – naar havens ver van hier – Het is een tijd van praten
Van liters koffie, bier – Een tijd om te vertellen – Uit herinnering
Hoe al wat was verdween – Het avontuur verging

P.S.: Indien je terug wilt schrijven – Ik zal voorlopig hier wel blijven.                                                                                                                                                                                                             ms * Stella Maris *

Texelstroom
Ik zeg wel eens:
“3 maanden zomer maken 9 maanden slecht weer goed”. Ik bedoel.
Je kunt in een jaar altijd wel 3x30 dagen + 90 dagen bij elkaar sprokkelen die werkelijk mooi zijn.
Die andere dagen neem je gewoon op de koop toe.

Toen ik na die oorlog terug kwam
kon ik schipper worden op een Hamburger barkas.
Hij was 180 ton en moest gesleept worden. Afin.
Op een stormachtige dag vertrok in van Den Helder
naar de haven van Oude Schild op Texel.

De matroos van de sleepboot die mij erheen moest trekken gaf ik
de lus van een dikke staaldraad. Buiten de haven gekomen,
vierde ik {buitengaats op de Texelstroom} de staaldraad uit tot 80 meter.
Ik was alleen aan boord. Dus moest ik vlug naar achteren om aan het roer van mijn inmiddels
heftig slingerend schip te gaan. Halverwege op de Texelstroom varende begon mijn sleepdraad te slippen.
Ik ren naar het voorschip. Om te voorkomen dat de tros los zou raken.
Nadat ik de draad goed vastgezet had, wilde ik gehaast naar het roer.
Doordat het schip zo slingerde raakte ik overboord. Daar lag ik dan in die woelige zee.
Omdat het niet alleen stormde maar ook nog goot van de regen had ik zuidwester op.
Een lange oliejas aan en gummi laarzen. Zwemmen gaat dan eigenlijk niet. Het is meer drijven wat je doet.
Mijn benen wilden telkens omhoog vanwege de lucht in mijn laarzen.
Gelukkig bleef er in het rugstuk van mijn oliejas veel lucht zitten. Zolang dat duurde bleef ik drijven.
De sleepbootkapitein had gezien dat ik overboord sloeg

Hij maakte prompt de “man over boord” manoeuvre.
Dat wil zeggen dat hij in een omhalende beweging, met een hele grote bocht, naar mij terug vaart om mij te redden.
Dat lukte niet helemaal. Als bij toeval kwam het roer van mijn schip vlak langs mijn neus. Ik klampte mij eraan vast
en klom omhoog. Alsof er niets aan de hand was geweest vervolgende we onze weg. Pas in de haven van Oude Schild kon ik mijn natte kleren uittrekken. Ik gooide wat extra hout op de kachel om mijzelf te verwarmen.
Daarna dook ik in mijn kooi. Avontuur ten einde!

Er zijn veel overwegingen wat het leven is. Je begint met een droom. Een fantasie.
De eerste fantasie die ik mij bewust herinner (zo rond mijn 11e),
Is een wensdroom die mijn toekomst zou vullen

Zeilend met een vrachtscheepje, varend langs rietkragen en wilde bloemen.
Onder bewolkt blauwe luchten. Zittend aan ’t roer. Naast mij een meisje.
Samen in een wonderlijke harmonie. Onderweg in een verbazingwekkende wereld.
Ik had geen idee over de praktische kant.
De droom werkelijkheid te laten worden {Geld verdienen}.   Ik leefde als een gelukkig mensenkind.

Het scheepje van mijn dromen was identiek
Aan de Westlander, (laadvermogen 27 ton).
Die mijn vader in de dertiger jaren van de vorige eeuw bezat.

Ik denk dat het gene wat in je kinderenjaren
het meest tot je verbeelding spreekt de basis vormt.
De basis die je bewust of onbewust tot keuzes doet maken,
Waardoor dromen tot werkelijkheid komen.

De maakbaarheid van je leven ligt verankerd in je mogelijkheden.
Die op hun beurt weer afhankelijk zijn van genetische informatie die aan je
doorgegeven is door voorouders en van ervaringen in je kinderjaren.
{al met al geen alibi om te denken, als dat zo is, dan zie ik het wel}.

De keuzes die (met vallen en opstaan) je leven vorm en inhoud geven,
zijn nog altijd de jouwe. Wat je echt wilt, zal vroeger of later,
op de een of andere manier werkelijkheid worden.
Alleen al om dat, al wat je doet, door de droom beïnvloed wordt.












In het linkse woonde mijn opoe. In het meest rechtse mijn ouders.
Dat was Aalsmeerderdijk no 260.     Ik maakte deze foto in 1939
mijn overgrootvader Gijs Biesheuvel 1825 - 1914

links  Blackie rechts Bruno